Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ3894

Datum uitspraak2009-07-08
Datum gepubliceerd2009-07-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/706 WW + 08/3692 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering verzoek om vergoeding wegens een te late betaling op grond van artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De raad: De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat titel 10 van boek 7 BW, waarin artikel 7:625 is opgenomen, van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. Nu er tussen appellant en het Uwv geen sprake is van een arbeidsovereenkomst kan van toepassing van voormeld artikel geen sprake zijn.


Uitspraak

08/706 WW 08/3692 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 december 2007, 07/499 (hierna: aangevallen uitspraak I), en de uitspraak van 16 mei 2008, 07/1369 (hierna: aangevallen uitspraak II), in de gedingen tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 8 juli 2009. I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2009, waar appellant -met bericht- niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat de in de gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de Ziektewet (ZW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2. Bij besluit op bezwaar van 29 maart 2007 (hierna: bestreden besluit I), is aan appellant een bedrag van € 11.005,74 aan wettelijke rente toegekend over een nabetaling van een WW-uitkering. Daarbij is tevens het verzoek van appellant om vergoeding wegens een te late betaling op grond van artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) afgewezen. Volgens het Uwv is dit wetsartikel bedoeld voor schade die een werknemer bij een werkgever oploopt in geval van vertraging van de betaling van loon. De uitkeringsverhouding die het Uwv met appellant heeft, kan niet worden aangemerkt als een arbeidsverhouding en het Uwv kan niet worden aangemerkt als werkgever. 2.1. Bij besluit van 9 november 2006 heeft het Uwv een bedrag van € 12.034,27 toegekend aan wettelijke rente over een nabetaalde ZW-uitkering vanaf 29 november 1993. Bij besluit op bezwaar van 20 september 2007, (hierna: bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 20 maart 2007 ongegrond verklaard. Bij dat besluit was het verzoek van appellant om vergoeding op grond van artikel 7:625 BW afgewezen. Die afwijzing berust op dezelfde grond als waarop besluit I is gebaseerd. 2.2. Bij de aangevallen uitspraken I en II heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv op goede gronden de verzoeken van appellant om op basis van artikel 7:625 BW een vergoeding toe te kennen heeft afgewezen. 3. In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt dat hem behalve de toegekende rente over de nabetaalde uitkeringen ingevolge de WW en de ZW ook de in artikel 7:625 BW vermelde vergoeding met de daarover verschuldigde wettelijke rente toekomt. 4. In beide gedingen dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over de bestreden besluiten I en II. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 4.1. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat titel 10 van boek 7 BW, waarin artikel 7:625 is opgenomen, van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. Nu er tussen appellant en het Uwv geen sprake is van een arbeidsovereenkomst kan van toepassing van voormeld artikel geen sprake zijn. 4.2. Appellant heeft in hoger beroep terzake van besluit II nog aangevoerd dat het Uwv de doorbetalingsverplichting van de werkgever heeft overgenomen en daarmee ook de verplichting uit de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:625 van het BW. Dat standpunt is naar het oordeel van de Raad onjuist. Het Uwv had op grond van de toenmalige Ziektewet een eigen verplichting om ziekengeld uit te keren. 4.3. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraken I en II voor bevestiging in aanmerking komen. 5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009. (get.) M.A. Hoogeveen. (get.) I. Mos. BvW